cartes

Nieuwe epidemiologische gegevens betreffende multiple sclerose (vervolg)

Door Prof. C. Sindic, Ondervoorzitter

Omgevingsfactoren

 De microkosmos van het gezin

Alle verzamelde gegevens sluiten een invloed van de intrafamiliale omgeving uit, of het nu gaat om geadopteerde kinderen, stiefdochters en -zonen, of de echtgenoten van personen met MS. De echtelijke gevallen stemmen overeen met het aantal dat wordt verwacht op basis van de prevalentie van de ziekte. Hetzelfde geldt voor geadopteerde kinderen. Er bestaat geen enkel risico om op te groeien of samen te wonen met iemand die aan MS lijdt, als er geen biologische banden zijn. Kinderen van wie beide ouders aan MS lijden, lopen een verhoogd risico, namelijk 30 %, wat vergelijkbaar is met het concordantiepercentage van vrouwelijke eeneiige tweelingen.

 Migrerende bevolkingsgroepen en de levensfase met een risico op de ontwikkeling van MS

Uit de oudste onderzoeken die werden uitgevoerd bij migranten die naar Israël of Zuid-Afrika trokken, bleek dat de volwassenen uit Noord-Europa (zone met een hoge prevalentie) de hoge prevalentie van hun land van herkomst in stand hielden, terwijl de adolescenten die vóór de leeftijd van 15 jaar verhuisden, het lage prevalentiepercentage van hun gastland genoten.
De situatie is echter complexer en hangt af van de raciale afkomst. De leeftijdsgrens van 15 jaar moet ter discussie worden gesteld:

a) Op de Hawaïaanse eilanden hebben de bewoners van Japanse afkomst die er geboren zijn, dezelfde prevalentie als hun tegenhangers die zijn opgegroeid aan de Westkust van de Verenigde Staten. Ze is er drie keer hoger dan de waargenomen prevalentie in Japan. De omgeving van deze eilanden is dus voor hen ongunstig. De bewoners van Kaukasische origine die op volwassen leeftijd naar Hawaï verhuisden, hebben dezelfde prevalentie als de bevolking die aan de Westkust leeft. De bewoners van Kaukasische afkomst die op deze eilanden geboren en getogen zijn, hebben dan weer een prevalentie die drie keer lager is. De omgeving is voor hen dus een beschermende factor (en zou kunnen worden gekoppeld aan het aantal uren zon, zie verder).

b) Uit de zeer leerrijke Australische onderzoeken blijkt dat de meeste migranten Kaukasiërs zijn uit gebieden met een hoog risico, Ierland en Groot-Brittannië (prevalentie hoger dan 100/100.000 inwoners). In Australië bestaat er een sterk verband tussen MS en de breedtegraad, volgens een zuid-noord gradiënt: in Tasmanië ligt de prevalentie 6 keer zo hoog als in de tropische gebieden van Queensland. Bovendien is de medische behandeling er van een hoge en uniforme kwaliteit. Er werd een afname van de prevalentie van MS vastgesteld bij deze migranten, behalve in Tasmanië. Of de immigratie nu vóór of na de leeftijd van 15 plaatsvond, er was geen sprake van een verschillende prevalentie. 70 % van de migranten waren ouder dan 15 en hadden een lagere prevalentie dan die van hun geboorteland: zij hadden dus een gunstige omgeving gevonden, met uitzondering van Tasmanië. De risico's die voortvloeien uit omgevingsfactoren, zijn dus altijd aanwezig na de kindertijd en de jongvolwassenperiode, tot 30 à 40 jaar, in de gebieden met een hoog risico.

 Kinderinfecties en het risico op MS

MS wordt gekenmerkt door een ontregeling van het immuunsysteem, die zou kunnen te wijten zijn aan een veel voorkomende infectie in de kindertijd. Wanneer deze infectie op latere leeftijd optreedt, zou ze het immuunsysteem voorgoed kunnen verstoren. Op jongere leeftijd zou ze dan weer onschadelijk zijn (de « hygiënische hypothese »). Dit soort hypothese kwam tot stand toen men vaststelde dat adolescenten of jongvolwassenen bij poliomyelitis, mazelen, rodehond, waterpokken,... ernstigere infecties hadden dan jonge kinderen.

Aan de hand van het nationale register van MS-patiënten en de gezondheidsdossiers van de scholen van Kopenhagen heeft een Deense studie een dergelijk verband kunnen uitsluiten voor de meeste kinderziekten. Alle MS-patiënten die geboren zijn tussen 1940 en 1975 en naar een lagere school gingen in de Deense hoofdstad, werden onderzocht (A = 455). Er werd geen enkele haard (« cluster ») van de ziekte vastgesteld in een specifieke klas. De leeftijd (tot 14 jaar) waarop de MS-patiënten mazelen, rodehond, bof, waterpokken, roodvonk, kinkhoest,... hadden of tussen 10 en 14 jaar verschillende van deze ziekten kregen, verschilde niet van die van hun klasgenoten die de ziekte later niet ontwikkelden

 De mogelijke rol van een laattijdige besmetting met het Epstein-Barr virus (EBV) (klierkoorts)

Dezelfde interpretatieproblemen rond een mogelijke virale oorsprong doen zich voor bij het EBV. Bijna 100 % van de MS-patiënten zijn drager van dit virus, tegenover 90 % van de totale bevolking.  Verschillende longitudinale onderzoeken tonen echter aan dat de aanwezigheid van een hoog aantal antilichamen tussen het voornaamste kernantigen van het Ebstein Barr virus (EBNA -1), een risicofactor is om MS te ontwikkelen. Deze antilichamen verschijnen weken of maanden na de infectie, en blijven levenslang aanwezig. Hoge percentages wijzen op een goede celimmuniteit tegen het virus.

Een recent onderzoek analyseerde de twee biologische risicofactoren, het allel HLA-DRB1 en het gehalte anti-EBNA - 1, bij vrouwen. Bij de vergelijking van 148 vrouwelijke MS-patiënten en 296 controles werd aangetoond dat het wel degelijk ging om twee afzonderlijke factoren met cumulatieve effecten. Een vrouw die drager is van het allel DRB1*1501 en een antistofgehalte heeft van > 1/320, had 9,7 keer meer kans om de ziekte te ontwikkelen dan een vrouw die geen drager van het allel is, met een antistofgehalte van > 1/320.

Er bestaat dus zeker een sterkere reactie op bepaalde antigenen van het EBV bij MS-patiënten. Of deze sterkere reactie op antilichamen bijdraagt tot een grotere vatbaarheid voor MS, en deze hyperimmunisatie een bijverschijnsel is bij personen die bovendien om andere redenen het risico lopen om de ziekte te ontwikkelen,  is nog een open vraag. Klinische klierkoorts kwam ook vaker voor bij MS-patiënten, hoewel deze infectie in de meeste gevallen onopgemerkt voorbijgaat.

De meest geloofwaardige hypothese op dit moment is dat MS-patiënten ook meer kans hebben om symptomatische klierkoorts te krijgen, zonder dat er evenwel een oorzakelijk verband zou bestaan tussen het EBV en de ontwikkeling van MS.

 .

 Breedtegraad, zonlicht, vitamine D en fotobiologie

De belangrijkste risicofactor van MS is dus de breedtegraad van het bewoonde gebied gedurende de eerste 15 tot 30 levensjaren. Om dit verband te verklaren, werd gekeken naar infectiefactoren en de aanwezigheid van bepaalde klimaatgebonden virussen of bacteriën, evenals naar factoren die rechtstreeks betrekking hebben op het klimaat, zoals het aantal uren zon, de UV-stralen en de biologische processen die eruit voortvloeien. Het gaat daarbij in de eerste plaats om vitamine D, een krachtige immunomodulator. Behalve in vis en visoliën zit er in onze voeding vrij weinig vitamine D.

Effecten van de zon

 Het is dus vooral het aantal uren zon dat 25-hydroxyvitamine D via de UV-stralen kan omzetten in zijn biologisch actieve vorm, 1,25-dihydroxyvitamine D. Hiermee kan bijvoorbeeld experimentele allergische encefalomyelitis (EAE) bij muizen en de voortgang ervan worden voorkomen. Aan het einde van de winter komt een seizoenstekort aan vitamine D vaak voor onder een breedtegraad van meer dan 42° noord.

 Een onderzoek dat werd uitgevoerd in Tasmanië, dat een hoge MS-prevalentie heeft, toonde aan dat de blootstelling aan de zon tussen 6 en 15 jaar, vooral in de winter, het risico op MS met 69% verminderde.  Dit onderzoek was gebaseerd op een vragenlijst en een meting van de blootstelling van de huid aan de zon.  Een Noorse studie kwam tot gelijkaardige conclusies: openluchtactiviteiten tussen 16 en 20 jaar verlagen het risico op het ontwikkelen van MS (afname met 45 %).  In het Hoge Noorden en bij de groep van patiënten die weinig buiten vertoeven, leek een voeding met veel vis en visoliën een beschermend effect te hebben (p = 0,07).

 De verschillende prevalenties van de ziekte in Frankrijk houden ook rechtstreeks verband met het aantal uren zon in de winter. Het samengaan van een lage MS-prevalentie en een hoge blootstelling aan UV-stralen in het Middellandse-Zeegebied, Poitou-Charente en aan de Atlantische kust is een bewijs van de beschermende rol van de blootstelling aan de zon.  De gegevens over UV-blootstelling werden verzameld op basis van satellietwaarnemingen, die werden gecorrigeerd in functie van de wolkenlaag en de dichtheid ervan.

Vitamine D

Vitamine D-supplementen, vooral in de vorm van multivitaminepreparaten, hebben ook een beschermend effect, aangezien ze het risico op MS met ongeveer 40 % verminderen. Dit blijkt uit een prospectief onderzoek dat bij twee groepen verpleegkundigen werd uitgevoerd tussen 1980 en 2000 (92.253 vrouwen in de « Nurses Health Study », NHS) en tussen 1991 en 2001 (95.310 vrouwen in NHS II).

Het serumgehalte van 25-hydroxyvitamine D is omgekeerd evenredig met het risico op het ontwikkelen van MS, aangezien een hoog gehalte van meer dan 99,1 nmol/liter een beschermende factor is (vermindering van het risico bij de blanke bevolking met 62 %).  
Dit onderzoek omvatte 257 MS-gevallen en 514 controles onder de Amerikaanse militairen, waarbij vitamine D werd gedoseerd in serums die vóór het begin van de ziekte werden verzameld en bewaard in een serotheek van het Departement Defensie.
  Een laag vitamine D-gehalte voor de leeftijd van 20 jaar verhoogde daarentegen het risico op MS.

Voedingsfactoren die aanleiding geven tot een vitamine D-supplement, zouden dus de invloed van klimaatfactoren kunnen tegenwerken, wat de waargenomen resultaten in het Noorse Hoge Noorden zou verklaren. Het zou dus nuttig zijn om vitamine D-supplementen te geven aan kinderen van wie een van de ouders MS heeft, aangezien zij meer risico lopen om de ziekte te ontwikkelen (risico van 2,5 %). Zelfs een gering tekort aan deze vitamine zou tijdens de kindertijd en adolescentie op z'n minst moeten worden vermeden.

Begin van de pagina...